A - a
a`a
Etym.:
T a`a, Wj yhy, Ap yn, Pm a`a, Wp o`o
.
tsw.
ja.
Ref.: a, a
aha
Etym.:
T aha, Wj vhv
.
tsw.
oke, kijk eens, alstublieft.
Ref.: aha
aha, ero awokuru 'kijk eens, dit (is) je drank', aha, iru`pa man 'oke, dat is goed'.
(w)osai
ww-med.
zichzelf halen, elkaar halen.
Ref.: ai
ai
znw.
kreet, gil.
aiwano 'gegil'.
b::
aity.
(w)osaijampa
ww-med.
spelen.
Ref.: esapima
kynosaijampanon apoko 'hij speelt met je', eufemisme voor: 'hij mishandelt je'.
aijoma
Etym.:
Wj ejoma, Ap ewoma
.
ww-ov.
opkomen voor, verdedigen, beschermen.
aika
ww-ov.
tot schreeuwen brengen, laten gillen.
(w)otaika
ww-med.
zich tot schreeuwen brengen, gillen.
Ref.: ai
aikapo
ww-ov.
tot schreeuwen laten brengen, laten gillen.
(w)otaikapo
ww-med.
zich tot schreeuwen laten brengen, zich laten gillen.
aike`ka
ww-ov.
laten stoppen, laten ophouden.
(w)otaike`ka
ww-med.
zich laten stoppen, zich laten ophouden.
aikepy
ww-onov.
ophouden bezig te zijn, klaar zijn, stoppen (met een bezigheid).
Ref.: ai
uit: (w)ai en -kepy.
aiku
Etym.:
T eeku, Wj euku, Ap euku, Kp eku, euku, Pm
aiku
.
znw.
sap, vocht, nattigheid.
Ref.: aicu
aiku`po 'soep, peperwater'.
aikuka
Etym.:
Ap eu`ka, Kp ekuka, Pm ekuka
.
ww-ov.
ontvochten, het sap wegnemen van.
paka manatyry saikukaje 'ik ontvocht de borst van de koe', d.w.z. 'ik melk de koe'.
aikuma
Etym.:
Wj vukuma, Pm ekuma
.
ww-ov.
nat maken, vloeibaar maken.
kasiri saikumaje 'ik maak kassavedrank'.
(w)otaikuma
ww-med.
zich vochtig maken, zich vloeibaar maken.
Ref.: aicu
aiku`pa
bnw.
zonder water, zonder sap.
Ref.: aicu
aikuta
Etym.:
Pm aikuta
.
ww-onov.
waterig worden, wateroverlast krijgen.
aiku`to
ww-ov.
vocht toevoegen aan.
aima
ww-ov.
inademen, roken.
(tamy) saimaje 'ik rook (tabak)'.
(w)otaima
ww-med.
zichzelf inademen, zichzelf roken.
Ref.: aima
aimara
Etym.:
T aimara, Wj aimara, Pm aimara, A ajomora, Sr
anyumara
.
znw.
(soort) vis.
Hoplias macrophthalmus (Erythrinidae).
Ref.: aimara
aime`ko
ww-ov.
weerzin wekken bij, afschuw wekken bij.
(w)otaime`ko
ww-med.
geen zin hebben, zich vervelen.
[Aanmerking: verwant met (w)aime? betekenis goed?]
aimosori
znw.
(soort) boom.
Rollinia exsucca (Annonaceae).
aina
Etym.:
T enja, Wj amo, Ap oma, ema, Kp emija, Pm
enja, mija, M mija
.
znw.
hand.
Ref.: aña
vingers: aina jumy 'duim', aina jumy pokorono (of: ...
ponarono 'wijsvinger', owara ira`nano 'middelvinger',
apoweiry pokorono 'ringvinger', apoweiry 'pink'; aina tano 'ring', ainanano yko i`wa 'help hem een handje',
kaikusi ainary '(soort) plant [Marcgravia parviflora (Marcgraviaceae)]'.
aina
Etym.:
T enjao
.
az.
in handen van, in de macht van.
asepato aina 'in beide handen, met beide handen vastgepakt'.
ainajuka
ww-ov.
katoen laten branden in de handen van.
bevordert vlijt bij de vrouw.
ainaka
ww-ov.
de hand wegnemen van, de hand afhakken.
ainaka
Etym.:
T enjaonaka
.
az.
in handen van, in de macht van.
moro ajainaka syja 'dat geef ik jou in handen', irompy`po, yjakuwarykon ainaka ro 'hij is gestorven, zonder dat mijn geesten iets konden uitrichten'.
ainakerenka
ww-ov.
een ruk geven aan de hand van, uit de hand losrukken.
ainako
znw.
gestink aan de handen.
ainaku`me
znw.
rondheid van de hand, vingerloosheid.
ainamy
ww-ov.
de handen binden van.
ainanu`ka
ww-ov.
veroordelen, schaden, bederven.
aina`pa
bnw.
zonder hand, zonder vingers.
Ref.: aña
ainapatoro
tlw.
tien.
Ref.: añapatole
aina 'hand', opatoro 'aan beide zijden'.
ainapiro
ww-ov.
de handen (rood) verven van.
(w)osainapiro
ww-med.
zich de handen (rood) verven, nagels lakken.
ainapo
znw.
handvaardigheid, tekenvaardigheid, borduurkunst, handschrift.
ainaposi`ma
bnw.
zonder lekkere handen, zonder handen die lekkers brengen.
ainara
znw.
handpalm.
kaikusi ainarary '(soort) plant [Marcgravia coriacae (Marcgraviaceae)]'.
ainaraka
ww-ov.
in de handpalm snijden van.
ainarakama
ww-ov.
de handen ophouden van, de handpalm naar boven draaien van.
ainary`me
znw.
pink.
[Aanmerking: V: ainarìme]
ainary`pa
bnw.
met lege handen, zonder geld of spullen.
ainary`to
Etym.:
Wj emjaryptv
.
ww-ov.
van (een handvol) gaven voorzien.
ainasa
znw.
openhandigheid, grijperigheid.
ainatone
tlw.
vijf.
Ref.: añatone
aina 'hand', otone of atone 'aan de ene kant'.
ainaty
ww-ov.
de handen wassen van.
(w)osainaty
ww-med.
zich de handen wassen.
Ref.: osayatï
ainawo`wo
znw.
branderig gevoel aan de hand, (V:) eelt aan de hand.
ai`ne
tsw.
is het niet?, nietwaar?
Ref.: añe
aipa`wura
znw.
tweeteen-luiaard.
Megalonychidae.
Ref.: aipa'ura
ook waikore genoemd.
aipo`pa
bnw.
zonder schone groei, niet welvarend, niet slank ; zich niet op zijn gemak voelend.
aira
Etym.:
Wp eira, Sr ayra
.
znw.
aira, zwart-bruine veelvraat.
Eira barbara (Mustelidae).
Ref.: aira
aira`u
znw.
zwarte boskat, jagoearoendi.
Felis yagouaroundi (Felidae).
Ref.: kaikusi
[Aanmerking: vgl tamenuja]
aire
Etym.:
Pm aire
.
bnw.
zometeen, strakjes, direct.
Ref.: aire
aire, se! of aire, non! 'wacht even, hou even op', aire te ra'a 'tot straks'.
aita
znw.
(soort) visval.
aity`ma
bnw.
zonder kreet, zonder gil.
aiwo
ww-ov.
aan de rand dubbelvouwen, het uiteinde ombuigen van.
bv vlechtwerk, takken aan de boom.
(w)otaiwo
ww-med.
zich aan de rand dubbelvouwen.
Ref.: aiwo
ajanka
ww-ov.
vlekkerig maken, bevuilen.
awory ke kajankatake 'ik zal je bont en blauw slaan'.
(w)osajanka
ww-med.
zich vlekkerig maken, zich bevuilen.
Ref.: ayanga
ajari
znw.
(soort) boom.
Conomorpha magnoliifolia (Myrsinaceae).
aja`tana
b::
eja`tanary.
znw.
lichaamszijde onder de oksel.
ajatono
Etym.:
T jatokonta, Kp ejaton, Pm ejaton(on)
.
b::
ejatono.
znw.
vrouw van jongere broer van eigen man ; man van jongere zuster van eigen vrouw; rivaal.
Ref.: eyatono
[Aanmerking: dus: mogelijke partner van iemands man of vrouw of iemands mans jongere broer of iemands vrouws jongere zuster; >asejatono< 'elkaars rivalen', d.w.z.: 'twee mannen van één vrouw of twee vrouwen van één man of twee mannen van twee zusters of twee vrouwen van twee broers']
ajawa
Etym.:
Wj ajawa, Ap ajawa, Wp ajawa, A haiawa
.
znw.
(soort) boom, hars, fakkel.
Protium-soorten (Burseraceae), Trattinickia-soorten (Burseraceae).
Ref.: ayawa
aju
Etym.:
T ai, Wj aju, Ww aji, Kp aju
.
ww-ov.
(boven een vuur) uitdrogen, knapperig roosteren.
bv pinda's, mosselen, (waarvan omhulsel weggebroken kan worden).
ajuka
ww-ov.
(door eigen warmte) dor maken.
(w)otajuka
ww-med.
zich (door eigen warmte) dor maken.
ajunu
Etym.:
Kp ajunu, Sr ayun, E onion
.
znw.
ui.
Allium cepa (Liliaceae).
vgl sewoja.
ajuta
ww-onov.
verdorren, dor worden.
ajywy
Etym.:
Wp aju`y
.
znw.
(soort) boom.
Licaria-soorten (Lauraceae), Nectandra-soorten (Lauraceae), Ocotea-soorten (Lauraceae).
Ref.: ayu'i
a`ka
Etym.:
Pm auka
.
znw.
schaduw, schim, ziel, geest.
Ref.: aka
aka
Etym.:
T aka, Ap aka, Ww aka, Kp aka
.
ww-ov.
uit elkaar halen, (systematisch) afbreken.
(w)otaka
ww-med.
uit elkaar vallen.
watakai 'ik heb me kapotgewerkt', moro asakato`me ro 'om het nog erger te maken, bovendien'.
akaja
znw.
(soort) ara.
[Aanmerking: HM202 HM210 vgl kajakaja]
akaja
[akajá]
Etym.:
T vkv, Ww oko, Pm aka
.
tsw.
au!
Ref.: akaya
akajuran
znw.
(soort) boom.
Dimorphandra conjugata (Caesalpiniaceae).
Ref.: akayuran
akaju`u
Etym.:
Wp akajuu
.
znw.
bosacajoeboom.
Anacardium giganteum (Anacardiaceae), Curatella americana (Dilleniaceae).
Ref.: akayu'u
a`kaka
ww-ov.
de geest weghalen van, betoveren, geestelijk beïnvloeden ; bezeten maken.
(w)ota`kaka
ww-med.
zijn geest weghalen, zich betoveren, bezeten worden.
akakasin
znw.
(soort) plant.
Eryngium foetidum (Umbelliferae).
akama
Etym.:
Kp akama, M aka`ma, Pm akama
.
ww-ov.
verspillen, ongebruikt laten.
(w)otakama
ww-med.
zich verspillen, ongebruikt blijven, over blijven.
woryi kynotakamanon 'er zijn vrouwen in overvloed'.
[Aanmerking: bb2 V: achterlaten, verlaten, afwijzen]
akami
Etym.:
T akami, Kp akami, Pm jakami, M akami, Wp
jakami, Sr kamikami, P jacamim
.
znw.
trompetvogel.
Psophia crepitans (Psophiidae).
Ref.: akami
[Aanmerking: HM80 E122]
aka`n
b::
eka`ny.
znw.
(snelle) loop, (snelle) voortbeweging.
a`ka`pa
bnw.
zonder ziel, zonder geest, zonder spook.
a`ka`po
znw.
schaduw, schim, ziel.
geestverschijning, geest of ziel van een overledene.
a`kapo`pa
bnw.
zonder goede geest, niet vruchtbaar.
akara
znw.
gaterigheid, doorzichtigheid (door talrijke gaten).
Ref.: akara
itu akarary 'plaats in het oerwoud waar men tussen de bomen door in de verte kan zien'.
akarai
znw.
rijpheid (met een zwarte kleur).
akarai`pa
bnw.
niet (met een zwarte kleur) rijp.
akaraita
ww-onov.
(met een zwarte kleur) rijp worden.
Akaramuku
znw.
kreek van Pikin Poika, Pikin Poika.
Ref.: etï
akaran
znw.
(soort) slingerplant.
Akarani
znw.
kreek van Bigi Poika, Bigi Poika.
Ref.: Akalani
akara`pa
bnw.
zonder openingen, ondoorzichtig (door afwezigheid van gaten) ; aaneengesloten.
akararo
ww-ov.
gaten maken in, (door middel van gaten) doorzichtig maken.
akarata
ww-onov.
gaten krijgen, (door gaten) doorzichtig worden.
Ref.: akara
akara`u
Etym.:
Wj wakaraimo, Ap akara, A wakala
.
znw.
grote zilverreiger.
Egretta alba (Ardeidae).
[Aanmerking: HM62 Jensen: leider van de watervogels]
akare
Etym.:
Ap jakare, Kp akare, Pm (j)akare, M akare, Wp jakare, P
jacare
.
b::
jakarery.
znw.
brilkaaiman.
Caiman crocodilus (Alligatoridae).
Ref.: akare
akarerowai
Etym.:
Wp jakareruwai
.
znw.
(soort) plant.
Epiphyllum-soorten (Cactaceae).
Ref.: akarerowoi
akare`u
znw.
wigkopkaaiman.
Paleosuchus trigonatus (Alligatoridae).
akarima
Etym.:
T akarima
.
znw.
doodskopaap, eekhoornaap.
Saimiri sciureus sciureus (Cebidae).
Ref.: akarima
a`karykapo
ww-ov.
(indirect) kwellen, laten lijden.
akasi
znw.
(soort) draagmand.
Ref.: akasi
akata
Etym.:
Pm ka`ta
.
b::
ekatary.
znw.
afsplitsing, zijtak, uitgespreid been, ruimte tussen de (boven)benen.
Ref.: ekata
ook: iets lager gelegen strook met minder plantengroei in het bos.
akatapi
znw.
(soort) hagedis.
[Aanmerking: roodbruin]
akatasuwe
znw.
(soort) ral.
Rallus maculatus (Rallidae).
[Aanmerking: HM142 P&P]
akatompo
Etym.:
Pm ekaton
.
b::
ekatonympo.
m::
akato`san, akatokonympo.
znw.
geest van een gestorvene, (gevreesde) geestverschijning.
Ref.: okatombo
[Aanmerking: V: dodendag (2 november)? Hoff: òkatompo]
Akawajo
Etym.:
Kp Akawajo
.
znw.
Akawajo-indiaan.
Ref.: akawayo/kawaiyo
vgl akawa '(soort) sperwer'.
akawari
znw.
(soort) plant.
Thoracocarpus bissectus (Cyclanthaceae), Carludovica sarmentosa (Cyclanthaceae).
Ref.: akawari
akawaru
znw.
lachmeeuw.
Larus atricilla (Laridae).
[Aanmerking: HM178 HM180 E59 Sterna hirundo?]
aka`we
Etym.:
Wp aka`e
.
znw.
cayennegaai.
Cyanocorax cayanus (Corvidae).
Ref.: akawe
[Aanmerking: HM500 A: grote koevogel (HM542)]
akenei
znw.
blauwe kleur; groene kleur.
Ref.: akenei
akeneiro
ww-ov.
blauw maken, groen maken.
(w)otakeneiro
ww-med.
zich blauw maken, zich groen maken.
Ref.: akenei
akeneita
ww-onov.
blauw worden, groen worden.
Ref.: akenei
a`kepu
znw.
schuim, bovendrijvend vuil.
a`kepu`pa
bnw.
zonder schuim, zonder bovendrijvend spul.
a`kepuro
ww-ov.
schuim bezorgen, smerig nat maken.
(w)ota`kepuro
ww-med.
zich schuim bezorgen, zich smerig nat maken.
akepy
Etym.:
T ekepy, Wj vkep, Ap okepy, ekepyry, Ww
okopu, Kp ekepu, Pm eke`
.
b::
ekepyry.
znw.
lijk.
Ref.: okepu
ekepy`po 'zijn lijk'.
akere`i
Etym.:
Wp kere`i
.
znw.
zonneral.
Eurypyga helias (Eurypygidae).
Ref.: akere'i
[Aanmerking: HM80 E130]
akeso
znw.
schiftsel, bovenkomende bestanddelen bij schifting.
[Aanmerking: l vgl akosa]
akesota
ww-onov.
schiften, een innerlijk scheidingsproces ondergaan.
akikina
znw.
(soort) plant.
Smilax hostmanniana (Liliaceae).
aki`ma
bnw.
zonder spierpijn, niet pijnlijk-stijf.
aki`ma
Etym.:
T akinma
.
ww-ov.
plagen.
akin
znw.
spierpijn, pijnlijke stijfheid.
aki`na
ww-onov.
kribbig worden, zich ergeren.
aki`no
ww-ov.
kribbig maken, ergeren.
akinta
Etym.:
T akinta, Wj akinta
.
ww-onov.
spierpijn krijgen, door bewegingloosheid stijf worden.
Ref.: akinda
akintanopy
ww-ov.
(door bewegingloosheid) spierpijn bezorgen.
akinu
Etym.:
T akunu, Ap akinu
.
znw.
luiheid.
Ref.: akinu
akinu`ma
Etym.:
T akunu`ra
.
bnw.
niet lui.
Ref.: akinu
akinuta
ww-onov.
lui worden.
Ref.: akinu
akira
Etym.:
Sr akira
.
znw.
(soort) struik, (soort) boom.
Laguncularia racemosa (Combretaceae).
akira`e
znw.
(soort) plant.
[Aanmerking: Crenea maritima (Lythraceae)?]
ako
Etym.:
Kp a`, M aku, A hako
.
znw.
vijzel.
Ref.: ako
ako tano 'stamper'.
a`koka
Etym.:
T akoroka, Ap akoroka, Kp akoroka
.
ww-ov.
(met hark of bezem) schoonvegen.
(w)ota`koka
ww-med.
(met hark of bezem) vegen.
Ref.: akoka
akono
Etym.:
T ako, Wj akon, Ap akono, Ww akno, Kp jako, Pm akono
.
b::
akono.
znw.
die bij een ander hoort, tweede van een paar, metgezel, vriend.
Ref.: yakono
iwopyry akono me ... 'met dat hij komt ...'; mo`ko akono tamyiry 'zijn tweede dochter'.
akono`ma
Etym.:
Ww aknomra
.
bnw.
zonder metgezel, zonder vriend, zonder vriendin.
akononto
Etym.:
T akonma
.
ww-ov.
een tweede toevoegen aan, tot een tweetal maken.
akontere
Etym.:
Sr kondre, E country
.
znw.
landstreek, (nationaal) land.
akopere
znw.
(soort) vogel.
[Aanmerking: lb V: akooperü, Lienke's oma noemt okope okopere, P&P: okope Gampsonyx swainsonii]
akoreka
ww-ov.
leeg maken, opmaken.
akore`pe
Etym.:
T akvre
.
bnw.
langdurig (ergens) blijvend.
Ref.: akorepe
akoroi
znw.
verkleurdheid, versletenheid, verouderdheid.
[Aanmerking: vgl ankoroi?!]
akoroi`pa
bnw.
niet verkleurd, niet versleten, niet verouderd.
akoroiro
ww-ov.
laten verkleuren, laten slijten, laten verouderen.
(w)otakoroiro
ww-med.
zich laten verkleuren, zich laten slijten, zich verouderen.
akoroita
ww-onov.
verkleuren, versleten raken, verouderen.
a`koro`ka
Etym.:
Wj apkvrv
.
ww-ov.
verzwikken, verstuiken.
akoronaka
ww-ov.
leegruimen, rommel weghalen van.
(w)otakoronaka
ww-med.
leegruimen.
Ref.: akoronaka
[Aanmerking: bv bladeren onder een boom]
akorototo
Etym.:
M poroto`to, P murukututu
.
znw.
briluil.
Pulsatrix perspicillata (Strigidae).
[Aanmerking: HM228 HM238 E183 'uil zonder oortjes'? nacurutu is de naam van subspecies van Bubo virginianus 'oehoe']
a`kosa
Etym.:
A okotha
.
znw.
(bovendrijvend) schuim.
Ref.: akosa
a`kosata
ww-onov.
schuim krijgen, schuimen.
Ref.: akosa
akosin
Etym.:
Wj akoji, Ap akoin
.
znw.
rest, restje.
a`koto
Etym.:
T a`kvtv, Kp a`koto, Pm wakvty
.
ww-ov.
barricaderen, afsluiten, tegenhouden, belemmeren, ophouden.
(w)ota`koto
ww-med.
gebarricadeerd worden, vast zitten.
akoto
Etym.:
T akvtv, Wj akvty, Ap akoty, Kp a`tv, Pm
akvty, M a`ty
.
ww-ov.
omhakken, met hakken omverhalen.
(w)ota`ku
ww-med.
in gebruik zijn, voorkomen, het doen.
Ref.: aku
akuka
ww-ov.
tot moes maken.
akukuwa
Etym.:
Kp wako`wa, Pm wakukwa, M waku`ka, A
wakokoa
.
znw.
gewone woudduif.
Columba cayennensis (Columbidae).
Ref.: akokowa
[Aanmerking: HM190]
akuma
znw.
(soort) plant.
Couma guianensis (Apocynaceae).
Ref.: akuma
aku`mi
znw.
weekheid.
Ref.: akumi
aku`mita
ww-onov.
week worden.
Ref.: aku
aku`mo
ww-ov.
dikvloeibaar maken, papperig maken, tot een brij maken.
Ref.: akumo
akumpai
b::
ekumpaity.
znw.
band, riem.
Ref.: ekubaitï
akumpi
znw.
breedte.
Ref.: akombi
akumpi`pa
bnw.
niet breed, smal.
Ref.: akombi
aku`my
znw.
dikvloeibaarheid, papperigheid, brij-achtigheid.
Ref.: woku
aku`my`ma
bnw.
zonder dikvloeibaarheid, niet brij-achtig, dun, vloeibaar.
Ref.: aku
aku`mynto
ww-ov.
dicht opeen maken, aaneensluiten.
(w)otaku`mynto
ww-med.
zich dicht opeen maken, zich aaneensluiten.
[Aanmerking: latjes, maar ook pap?]
akunepy
Etym.:
Wj ahnep, Pm anepu
.
znw.
aardnoot, pinda.
Arachis hypogaea (Papilionaceae).
kararawa akunepyry '(soort) plant [Terminalia dichoroma (Combretaceae)]'.
akunsiky
b::
ekunsikyry.
znw.
vernauwing, versmalling, taille.
Ref.: kërë
akunty
b::
ekunty.
znw.
heupsnoer, tromhoepel.
Ref.: ekundï
akuntynano 'heupsnoer (in het algemeen)'.
akupa
Etym.:
Pm akupa, Sr kubi
.
znw.
ombervis.
Sciaenidae.
Ref.: akupa
typosaka`miren akupa '(soort) vis [Nebris microps (Sciaenidae)]', tapiren akupa '(soort) vis [Cynoscion acoupa (Sciaenidae)]'.
akurewe
Etym.:
T eerewety
.
b::
ekurewety.
znw.
vettig huidslijm.
bv bij vissen, bij een ziek kippe-oog.
akuri
Etym.:
T akuri, Wj akuri, Ap akuri, Kp aku, Pm akuri, M akuri, Wp akusi, Sr aguti
.
znw.
goudhaas, Surinaams konijn.
Dasyprocta agouti (Dasyproctidae).
Ref.: akuri
Akurijo
Etym.:
T Akurijo
.
znw.
Akurijo-indiaan.
vgl akuri 'goudhaas'.
akurimopi
Etym.:
Wp akusimoi
.
znw.
indigoslang.
Drymarchon corais (Colubridae).
Ref.: akuri mopi
akuro
ww-ov.
zacht maken, laten smelten.
akuru
Etym.:
Pm akuru
.
b::
jakururu.
znw.
modder, klei.
Ref.: akuru
akusa
Etym.:
T akusa, Wj akusa, Pm akusa, M akusa, Wp
kakusa, Sp aguja
.
b::
jakusary.
znw.
naald.
Ref.: akusa
akusiwai
Etym.:
Wj kurimao, Wp akusiwai
.
znw.
kleine staartagouti, konijntje.
Myoprocta acouchy (Dasyproctidae).
Ref.: akusiwei
akuta
Etym.:
T akuuta
.
ww-onov.
zacht worden, smelten.
Ref.: aku
[Aanmerking: bv teer, brood]
aku`to
ww-ov.
van modder voorzien, van klei voorzien.
Ref.: nuno
akutuma
ww-ov.
troebel maken, ondoorzichtig maken.
(w)otakutuma
ww-med.
zich troebel maken, zich ondoorzichtig maken.
Ref.: akutu
akutun
znw.
troebeligheid.
Ref.: akutu
akutuno
ww-ov.
troebeligheid toevoegen aan.
akuwama
znw.
(soort) kikker.
Ref.: poloru
akuwama`i
znw.
plevier.
Charadriidae.
Ref.: akuwamai
[Aanmerking: HM166 E139]
aku`wi
znw.
(soort) vis.
Ref.: aku'i
[Aanmerking: Sr agu-noso]
aky
Etym.:
Ap aky, Kp aky
.
znw.
vuil, onreinheid, boze geest, ramp, plaag, verwildering.
Ref.: akï
mauru akyry '(soort) hagedis [Anolis chrysolepis (Iguanidae)], (soort) kevertje', akywano 'ramp, plaag (in het algemeen)'.
aky`ka
ww-ov.
(tegen zich) aandrukken, beknellen, knijpen.
akyka
ww-ov.
van een boze geest verlossen.
(w)otakyka
ww-med.
zich van een boze geest verlossen.
akykywa
znw.
(soort) liaan.
Smilax-soorten (Smilacaceae).
Ref.: akïkïwa
aky`mamy
ww-onov.
langzamerhand rommelig worden.
aky`manka
ww-ov.
langzamerhand rommelig maken.
aky`me
bnw.
benauwd, onopgeruimd, rommelig, niet pluis.
Ref.: akï
(w)otaky`no`ka
ww-med.
zich ineendrukken, zich samenpersen.
Ref.: akïnoka
aky`pa
bnw.
zonder boze geest.
akypy
Etym.:
T akyky
.
ww-onov.
ineengedrukt worden, zich verdikken.
Ref.: akïpu
akypy`po 'room'.
akyta
ww-onov.
in gevaar zijn, geplaagd worden, geestelijk onrein zijn.
aky`to
ww-ov.
een boze geest bezorgen, met boze geesten verpesten, rommelig maken.
(w)otaky`to
ww-med.
zich een boze geest bezorgen, zich rommelig maken.
aky`ty
b::
aky`ty.
znw.
ineengedrukt of samengeperst geheel, knot.
unsenano aky`ty 'haarknot'.
Amakaina
znw.
Amakaina.
verlaten dorp bij de monding van de Marowijne.
amamai
znw.
papyrus-plant.
Cyperus papyrus (Cyperaceae).
amamin
Etym.:
T emamin
.
b::
emamin.
znw.
werk.
Ref.: emami
a`mamy
Etym.:
Kp a`mamy
.
ww-onov.
zwellen.
Ref.: amamu
bv bij een wond of een infectie.
Amana
znw.
Amana.
geest die meisjes meeneemt onder water.
amana
Etym.:
T amana, Sr amana
.
znw.
(soort) palm.
Bactris gasipaes (Palmae).
Ref.: amana
Amanakuwa
znw.
Amanakuwa-rivier.
[Aanmerking: b]
Amana Wa`je
znw.
Elizabethskreek.
Ref.: Amanawa'u
Amana Wa`je 'boomvruchtpitten van Amana'.
amanoporan
znw.
(soort) plant.
Sapium monatanum (Euphorbiaceae).
amapa
Etym.:
Wp amapa, Sr (a)mapa
.
znw.
(soort) boom.
Parahancornia amapa (Apocynaceae).
Ref.: amapa
amapeja`u
znw.
leljacana, jassana.
Jacana jacana (Jacanidae).
[Aanmerking: HM80]
amara`u
znw.
(soort) palm.
Bactris maraja (Palmae), Bactris major (Palmae).
Ref.: amara'ü
amarijo
Etym.:
Sp amarillo
.
znw.
gele kleur.
a`me
ww-ov.
afvegen, schoonvegen.
(w)ota`me
ww-med.
zich afvegen, zich schoonvegen.
ame
Etym.:
T ame, Wj ame, Ap eme, Pm ameka
.
ww-ov.
likken, proeven, eten.
gezegd bij dikkere vloeistoffen zoals soep of ijs.
(w)otame
ww-med.
zich likken, zich eten.
Ref.: ame
amekun
Etym.:
T vmekun/emekun, Wj emekun, Ap omeku, Kp
emekun, Pm emekun, M emekon
.
b::
amekun.
znw.
pols.
Ref.: amekun
amekunty
Etym.:
Ap emekunty
.
b::
amekunty.
znw.
armband.
Ref.: amekun
amekuntynano 'brede armband'.
amema
ww-ov.
opzij dringen, wegduwen.
(w)osamema
ww-med.
aan de kant gaan.
Ref.: amema
[Aanmerking: vgl emima]
amemy
Etym.:
T amemy, Ap amemy
.
ww-ov.
oprollen, ineendraaien, dichtknopen.
ook: 'met de rammelaar zwaaien om, als medicijnman behandelen'.
(w)otamemy
ww-med.
zich oprollen, dichtgeknoopt raken, gehandicapt worden.
Ref.: amemu
a`menka
Etym.:
T amenka
.
ww-ov.
overhoop halen, onderzoeken.
awokuru sa`menkaje 'ik roer je drank'.
(w)ota`menka
ww-med.
zich overhoop halen, zich onderzoeken.
Ref.: amemu
amepo
Etym.:
Ap emepo
.
b::
emepory.
znw.
goed gedrag, fatsoen, succes.
amepo po nyton 'hij heeft een succesvolle tocht gemaakt',
yjemepory po terapa wa 'ik weet al hoe ik succes moet boeken'.
amepy
Etym.:
Wj emepy, Kp emu`
.
b::
emepy.
znw.
voorhoofd, steile oever.
Ref.: emepü
amesaika
ww-ov.
van een helling laten afrollen, een lawine veroorzaken in.
(w)otamesaika
ww-med.
van een helling afrollen, als een lawine naar beneden komen.
[Aanmerking: of: emesaika? kynomesaikano?]
amesakama
ww-ov.
scheef houden, gekanteld houden.
ame`suruku
b::
eme`surukuru.
znw.
wenkbrauw.
Ref.: emesurukuru
ameta
znw.
buitenbocht, inham.
ametary ta 'in de inham'.
ame`tai
Etym.:
Wj ametai
.
b::
eme`tairy.
znw.
helling, steilte, steile rand, afgrond.
Ref.: ametai/emetai
[Aanmerking: vgl emetaka en A: emetary 'gebeente boven het oog']
ame`tarai
b::
eme`tarairy.
znw.
steilte, afgrond.
Ametary
znw.
Kalebaskreek.
Ref.: Ametarï
plaats bij een buitenbocht in de Coppename-rivier.
amika
Etym.:
T amika
.
ww-ov.
graven in, delven in, opgraven, tevoorschijn graven.
nono samikaje 'ik graaf in de grond', wewe mity samikaje 'ik graaf een boomwortel op'.
(w)otamika
ww-med.
in zichzelf graven, zich opgraven.
Ref.: amika
ami`po
znw.
uitgedroogd restant, drap.
Ref.: amipo
kasiri ami`po 'drap van de kassavedrank'.
ami`poka
ww-ov.
tot een uitgedroogd restant maken.
ami`pota
ww-onov.
een uitgedroogd restant worden.
amiriri`ko
ww-ov.
laten verschrompelen, rimpelen, krullen, laten golven.
amiririky
znw.
verschrompeling, rimpeling, krul, golf.
Ref.: miri
amiririky`pa
bnw.
niet verschrompeld, niet rimpelig, niet krullerig ; niet golvend.
amiriri`ta
ww-onov.
verschrompelen, rimpelig worden, zich krullen ; golven krijgen.
(w)otamiromo`ka
ww-med.
lastig gevallen worden, zich irriteren, zich bezorgd maken.
amiromopy
ww-onov.
geïrriteerd raken, zich ergeren.
amity
ww-ov.
fijnmalen, platpersen.
vruchten tot sap, maïs tot meel, persoon tot moes (bij auto-ongeluk).
(w)otamity
ww-med.
zich fijnmalen, zich platpersen.
amo`
Etym.:
Wj amosety, Ap amity
.
b::
amo`ty.
znw.
snoer.
Ref.: amotï
amo
Etym.:
T amo, Wj amo
.
ww-ov.
beklagen, huilen over, (be)rouw hebben over.
(w)otamo
ww-med.
klagen, huilen.
Ref.: amo
a`moi
ww-ov.
omlaag schudden, omlaag laten zakken.
matapi sa`moija 'ik schud de inhoud van de matapi omlaag',
yjerepary sa`moija 'ik laat mijn eten naar de maag zakken'.
(w)ota`moi
ww-med.
zich omlaag schudden.
bv bij sex.
amoika
Etym.:
Wj moi
.
ww-ov.
geloven, betrouwbaar achten.
(w)otamoika
ww-med.
in zichzelf geloven, opschepperig doen.
Ref.: amuika
amo`iky
Etym.:
T amiky/amiku, Wj amiku, Ww ameky, Kp
amuky, Pm amiky
.
ww-ov.
oprapen, oppakken.
van veel kleine dingetjes bij elkaar, bv rijst, bladeren.
a`moity
b::
a`moity.
znw.
wegspoelmiddel.
ajerepary a`moity 'drankje om het eten te laten zakken'.
a`moka
ww-ov.
brokkelig maken, verpulveren.
(w)ota`moka
ww-med.
zich verbrokkelen, verpulverd worden.
amo`ka
Etym.:
Wj amosetka
.
ww-ov.
het snoer wegnemen van.
amo`ma
Etym.:
T amyina, Wj amumna
.
bnw.
niet gierig, gul.
amo`mere`ko
ww-ov.
rond maken, tot een bol of bal maken.
amompo
ww-ov.
naar binnen laten halen.
amomy
Etym.:
T enmymy, Wj amvmy
.
ww-ov.
naar binnen halen, uit de open lucht halen.
(w)otamomy
ww-med.
zich naar binnen halen, zich uit de open lucht halen.
Ref.: amomu
amon
Etym.:
Pm amumpa
.
znw.
gierigheid, hebberigheid, inhaligheid.
amon pe 'gierig, hebberig'.
amona
ww-onov.
gierig worden, hebberig worden.
amono`ke
bnw-az.
te kort schietend (voor), gebrekkig (voor), niet genoeg (voor).
Ref.: amono
yjainary amono`ke na 'hij (de ring) is te klein voor mijn hand'.
amonopy
Etym.:
T amvnvpy, Ap amonopy
.
ww-ov.
missen, niet raken.
Kari`na auran samonopyi 'ik heb een fout gemaakt bij het 'spreken van Karaïbs'.
(w)otamonopy
ww-med.
mislopen, tekort schieten.
Ref.: amono
[Aanmerking: vgl Jc 1:17]
a`mo`pa
bnw.
niet brokkelig, niet pulverig.
amore
Etym.:
T amore
.
znw.
magie, bezweringskunst.
Ref.: amore
amore`pa
bnw.
zonder medicijnmanservaring.
Ref.: amore
amorepa
Etym.:
T amore`tv, Ap amorepa
.
ww-ov.
van (medicijnmans)kunst voorzien, onderwijzen in de medicijnmanskunst ; als medicijnman behandelen, bezweren.
(w)otamorepa
ww-med.
in de medicijnmanskunst ingewijd worden.
Ref.: amore
a`moro
Etym.:
Kp a`moro
.
znw.
broosheid.
amoro
Etym.:
T vmv, vmvnjamo, Wj vmv, vmvramkom, Ap
omoro, amarokomo, Ww amoro, amjamro, Kp
amvrv, amvrvnokon, amjamro, Pm amvrv, amvrvnokon, M amyry
.
m::
amyjaron.
vnw.
jij.
Ref.: amoro
amorompo 'jij voor jezelf, jij alleen'.
a`morota
Etym.:
Pm jamorota
.
ww-onov.
broos worden.
amosaika
ww-ov.
vingernagels knippen bij.
(w)otamosaika
ww-med.
zich de vingernagels knippen.
Ref.: amoseikï
amosaiky
Etym.:
T amoi, Wj amosai
.
znw.
vingernagel.
Ref.: amoseikï
urukureja amosaikyry '(soort) liaan', V: ainamoikyry pi`po 'nagelriem'.
a`mota
Etym.:
Pm amota
.
ww-onov.
brokkelig worden, poederachtig worden.
amo`to
Etym.:
Wj amoseptv, Ap ami`to
.
ww-ov.
van een snoer voorzien, aan een snoer rijgen.
(w)otamo`to
ww-med.
zich van een snoer voorzien.
Ref.: amotï
a`moto`ko
ww-ov.
bolvormig maken, samenballen.
aina a`moto`ko`po 'vuist'.
a`motoky
znw.
samengebaldheid, rondheid.
ampaika
ww-ov.
tot een massa maken, verpletteren.